omdat ik verkouden ben wil ik niet samen slapen dus gaan we een nieuwe kamer bouwen waar jij volgende winter in kan slapen.


aan oma’s oude huis wil ik niet iets nieuws aanbouwen dus besluiten we de opbergkamer op te ruimen en minimaal in te richten. alleen een bed, dat minder lekker zal liggen dan ons bed, en een nachtlampje. hij wilde het op een nachtkastje, ik niet, dus hadden we een discussie.


er kwam wel een donkerbruin nachtkasje. ik vond het mooi.


de spullen die in de kamer stonden hebben we gesorteerd en een deel weggegooid. normaal bewaar ik alles. het zal het voorjaar wel zijn.


de hele zomer zijn we niet in het huis geweest. ook niet bij elkaar. het raam op de nieuwe slaapkamer heeft wel opengestaan. op zo’n manier dat mocht het regenen het niet naar binnen zou komen. dicht wilde ik het raam niet, het zou als we terugkwamen nieuw voelen dan.



ik ben weer verkouden. eerder dan gedacht, het is ook eerder koud dan ik hoopte. ik slaap op mn rug en hoofd op twee kussens. beide doe ik alleen als mn neus dicht zit. in de andere kamer ligt niemand, want dat is over, toch doet iets me goed. vast de afgelopen zomer, het huis waar ik toen ik terug kwam van vakantie veel in heb verplaatst. en de vaas die door vrienden aan mij is gegeven op mijn verjaardag. ook dat ik zelf de deur op slot deed voor ik ging slapen en het ontbijt voor morgen al in de koelkast staat. 


van wimmenum naar amsterdam was maar kort. ik was wat vergeten dus reden we nog langs mn huis. mn handen waren droog, bijna ruw, maar dun, net als mn pols. mn haar opgestoken en het water van de grachten stond al dagen hoog. soms kwam het over de kade op de al natte straten van de winter. de stad op z’n mooist. van amsterdam naar dozulé was langer, maar net zo fijn.


vanochtend hebben we aan het het water de fles in de zee gegooid. onderweg blijven we maar theorieën bedenken of wij eerder zijn dan de fles, of dat de fles wel weken, maanden of nooit langs de kust van ons nieuwe huis zal komen. maar samen erop wachten zouden we. die bevestiging deed mn hart goed. hij wil dus met mij wachten tot ooit of nooit.


de kelder in het huis was ondergelopen. gebeurde vaak in de winter zei de buurman die een eind verderop woont. we ontruimden het en genoten het seizoen van het huis, de ruimte om ons heen en ik vooral van de middag dat jij ik weet niet wat aan het doen was. de achterdeur stond nog open, want dat kon. het was niet koud meer. door de deur kon ik vanuit de woonkamer je vieze modder laarzen naast de bruine versleten kokosmat in de bijkeuken staan. het grint pad kon ik ook afkijken. tot de klif. verder niet, maar wist dat daarachter de kust was. en jij met de hond. de kast boven lag nog met alle winterkleding. volgende week ga ik die opruimen. zo voelde het die dag.


ik droomde die nacht over hoe een touw aan de maan hing, hoe ik jou dwong omhoog te klimmen. “ik kom er zo ook aan, jij eerst!” riep ik. halverwege het touw zag je alleen ons huis vanaf boven. Alle andere huizen waren er niet. Alleen land, kust en zee. ons mooie huisje, nu mijn mooie huisje. ik trok zo hard dat het touw van de maan viel toen jij erboven op stond.


altijd als ik naar de maan kijk zal ik aan jou denken en jij zal nooit aan iemand anders kunnen gaan denken ook al spoelt de fles aan.

vanaf de rijndijk zie je ons stuk land ik zijn geheel behalve de weides die we alleen open zetten in de late zomer. die liggen al achter mij. hier en daar een voorbijganger die naar het dorp fietsen. sommigen zeggen gedag, anderen niet. zij weten niet dat ik niet ben gedoucht, tanden niet gepoetst en dat ik dit shirtje gister ook aan had. sokken zijn wel vanochtend schoon aangedaan want gister zonder sokken in de laarzen schuurde een beetje met het rubber. mn canvas tasje zit onder de snelbinders, want nu het pakketje verstuurd is zou het zonder inhoud zo irritant fladderen aan en van mn schouder. vandaag is er niemand thuis en ook niemand buiten aan t werk. het is wind stil, warm, mei, rond het middaguur en zo rustig dat je mn fiets van de afrit hoort komen.


de hele middag lig in in het weiland met met mn kat janneke. beide warm van de zon. ik wordt wakker (sliep niet) van de dichtslaande autodeuren. gelukkig ziet nog niemand mij want ik ben diep in de weide. als de auto weer weg rijdt en richting en dorp gaat sta ik op en neurie ik op zn fijnst. janneke en ik lopen naar de paarden. op een van hen ga ik liggen. hooft op de manen, billen op de rug en voeten boven op de achterkant van het paard. knieën omhoog want als ik mijn benen gestrekt heb, heb ik geen evenwicht. ook al loopt ze heen en weer, ik val in slaap op haar warme rug.


papa vraagt wat ik vandaag gedaan heb. niks zeg ik. ik twijfel of ik vraag wat hij gedaan heeft maar geniet van het niks doen. spring van het paard af, zoek mn laarzen, zet mn fiets in de schuur, eet avond eten, was mn voeten in de douche en slaap op de dekens met het raam open en de deur op slot.


14 jaar laten rijd ik met mn jeep over de dijk. handtas op de bijrijders stoel. gouden armband om mn linker onderarm waarmee ik stuur. beide handen gouden trouwringen van ouders en grootouders. piano muziek van de cd komt uit de auto. daar overheen zing ik iets wat niet bestaat. ik mis het niks doen. ik deed wel wat, het fijn hebben. weer is het warm, weer huil ik. ze zwaaien en zijn blij als ik van de afrit het erf op kom rijden. mn haar vinden ze mooi zitten. lang hebben ze mij niet gezien.

de meeste ochtenden was hij diegene die mijn gezicht schoor. ik zit dan op een hoge kruk voor de wasbak en de spiegel. voordat we beginnen klemt hij mn haar vast en maakt hij het mesje schoon. ik zit dan al vaak met mn ogen dicht of ik kijk hoe hij het schoonmaakt. daarna altijd zijn gezicht dichtbij. soms vertellen we wat maar meestal zijn we stil. het mooist zijn zn ogen met nog wat slaap, en het liefst als hij wat verkouden is. dan ruik je dan ook. na het scheren vaak nog wat aanrakingen op mn jukbeenderen en mn wangen met zn lange dunne vingers als een soort massage om mn gezicht de dag te laten beginnen. ik voel me dan altijd zo mooi als ik dan in de spiegel kijk. nooit gedacht dat mn haar nu op de lengte van de voetsteun van de kruk zou zijn. de trap naat beneden gaat hij altijd voor. op de overloop de verdieping onder ons een lage stoel waar ik op zit (als hij mn schoenen aan doet). Ik hou er dan van om met mn benen over elkaar geslagen te zitten  en met mn lijf voorovergebogen. gezicht leunend op de hand waarvan de arm altijd met de elleboog op het been steunt. als ik niet blij ben probeert hij met zn vingers een clownlach van mn mond te maken. soms moet ik daar dan van lachen. soms ook niet. soms fietsen we samen, maar vaak wil ik achterop zodat ik tegen m aan kan leunen. als ik afgezet bent en hij verder gaat heb ik altijd dezelfde melodie in mn hoofd waarvan ik niet weet of het bestaat of dat ik het heb verzonnen. welke instrumenten het zijn weet ik ook niet.


Ik had nog nooit aan iemand verteld dat we elke ochtend dit deden. Samen hadden we het heel lang geleden afgesproken. ik wilde niet bewust zijn van mn scheren en hem maakte het niet uit dat dat bij mij moest gebeuren soms. hoe langer we dit deden hoe meer dingen erbij kwamen. soms vlechten, soms kammen soms dansen in beginnend herfst omdat de ramen nu toch dichtzaten in de ochtend.


als ik alleen wakker werd omdat we niet samen sliepen deed ik niks aan mezelf. ook geen tandenpoetsen. alleen wachten op de kraan totdat het water op zn koudst was om te drinken. en dad deed me dan zo aan vroeger denken. dat dan al genoeg was om plezier te hebben die dag op het land.

van wimmenum naar amsterdam was maar kort. ik was wat vergeten dus reden we nog langs mn huis. mn handen waren droog, bijna ruw, maar dun, net als mn pols. mn haar opgestoken en het water van de grachten stond al dagen hoog. soms kwam het over de kade op de al natte straten van de winter. de stad op z’n mooist. van amsterdam naar dozulé was langer, maar net zo fijn.


vanochtend hebben we aan het het water de fles in de zee gegooid. onderweg blijven we maar theorieën bedenken of wij eerder zijn dan de fles, of dat de fles wel weken, maanden of nooit langs de kust van ons nieuwe huis zal komen. maar samen erop wachten zouden we. die bevestiging deed mn hart goed. hij wil dus met mij wachten tot ooit of nooit.


de kelder in het huis was ondergelopen. gebeurde vaak in de winter zei de buurman die een eind verderop woont. we ontruimden het en genoten het seizoen van het huis, de ruimte om ons heen en ik vooral van de middag dat jij ik weet niet wat aan het doen was. de achterdeur stond nog open, want dat kon. het was niet koud meer. door de deur kon ik vanuit de woonkamer je vieze modder laarzen naast de bruine versleten kokosmat in de bijkeuken staan. het grint pad kon ik ook afkijken. tot de klif. verder niet, maar wist dat daarachter de kust was. en jij met de hond. de kast boven lag nog met alle winterkleding. volgende week ga ik die opruimen. zo voelde het die dag.


ik droomde die nacht over hoe een touw aan de maan hing, hoe ik jou dwong omhoog te klimmen. “ik kom er zo ook aan, jij eerst!” riep ik. halverwege het touw zag je alleen ons huis vanaf boven. Alle andere huizen waren er niet. Alleen land, kust en zee. ons mooie huisje, nu mijn mooie huisje. ik trok zo hard dat het touw van de maan viel toen jij erboven op stond.


altijd als ik naar de maan kijk zal ik aan jou denken en jij zal nooit aan iemand anders kunnen gaan denken ook al spoelt de fles aan.


na twee maanden studie kon hij al vloeiend portugees, vraag me niet hoe, maar nu alleen wij nog op de wereld zijn heeft het geen zin meer. alleen dat je het soms spreekt omdat ik het wil of omdat je Flora van Gilberto Gil zingt.


vandaag is het zo koud dat het nog kouder is dan gisteren. normaal zou je het niet horen, maar omdat heel de stad leeg is hoor je zelfs de meeuwen vanaf de prinsengracht. jij op z’n winters ingepakt. dikke lagen en een omgewikkelde sjaal. omdat de jas en de lagen eronder niet lang zijn zie je op de fiets je rug. zo schoon, zo bleek. je moet de kou er vast op voelen maar het is je het melden niet waard.


Toen ik je een paar maanden (veel maanden) geleden vanaf de dijk (haarlemmer) zag komen fietsen was je haar kort. huid wel net zoals nu bleek. rood haar, sproeten en toen al beeldde ik je in met lang stijl, maar in de wind golvend met gouden oorbellen. je sproeten zouden op dezelfde manier blijven spreken.


ons ochtend ritueel is nu al een tijd hetzelfde, als je de douche uitkomt en je je afgedroogd hebt kom ik de badkamer in. jij kijkt in de spiegel. ik kan er niet in kijken want jij staat ertussen. de kou van de stenen tegels gaat door de handdoek die op de vloer ligt heen. zelfs ik voel dat nog met sokken, moet je nagaan jij op je blote (nog een beetje natte) voeten. ook je voeten zijn mooi. net als je haar wat nu tot tegen je billen komt. ik kam het elke ochtend, doe dan je oorbellen in en soms neuriën we samen of maar één iemand. maar praten doen we niet. althans soms wat woorden. niet zo veel woorden als op de boot vanmiddag, maar wat is het heerlijk komend voorjaar alleen te zijn.